Wil je met me lopen? Verhalen over verkering – Henk (84)

‘Ik was anderhalf toen ik mijn vrouw in mijn armen gedrukt kreeg. Dat kwam zo, mijn moeder hielp haar vriendin met bevallen. Mij hadden ze tussen kussens in een grote kuipstoel gezet. Toen de baby er was, legden ze haar bij mij. “Hier heb je je vrouw”, zeiden ze. En ze is het nog geworden ook. Haar moeder overleed aan een black-out aan haar hoofd toen Hendri zes maanden was. Ze is toen naar haar grootouders gebracht in Werkendam, die hebben haar grootgebracht. 

Ik moest de dienst in toen ik achttien werd. Vlak daarvoor ging ik naar Brabant fietsen met een stel vrienden vanaf Katendrecht. Eén van die jongens werd niet lekker en we stopten in Werkendam. En wie zag ik daar? Hendri, die was toen zestien jaar. Ik voelde gewoon dat zij het was. Daar heb ik later eens met een dokter over gepraat en die zei: “Dat komt omdat jullie tegelijk zijn ingestapt, bij haar geboorte ben je samen één geworden.’’

Ik zag haar weer toen ik naar de kapper ging op Katendrecht. Ik liet me knippen bij Koos de kapper. En wie stond er in de zaak? Hendri. Ik zei tegen Koos: “Hé, die ken ik!” Koos zei: “Ja, da’s mijn dochter. Die komt uit Brabant om hier wat te verdienen.’’ Ze woonde nu bij hem en zijn tweede vrouw. Ik vroeg aan Hendri: “Heb je zin om naar de bioscoop te gaan met me? Naar de Cineac?” Dat wilde ze wel en toen we er zaten voelde ik zo’n handje. Ik deed niks, keek haar aan en toen kreeg ik een knipoog. Zo is het begonnen tussen ons. ‘Handje, zoentje, pepermuntje’ heette dat.

Ik moest dus eerst anderhalf jaar dienen en kwam iedere veertien dagen naar huis. Ze stond dan op me te wachten op het station. En dan gingen we op stap, we zwierven door heel Rotterdam. Samen, maar ook wel met zijn vieren, met een nicht van haar en haar jongen. We gingen naar de bioscoop, op de Beijerlandselaan, beetje winkelen, wat eten. Er was ook overal muziek, dan gingen we dansen maar ook wel naar de dierentuin of wandelen in het park. Hendri wilde ook graag bij de trams en de treinen kijken, die had alleen maar koeien en paarden gezien in dat dorp waar ze vandaan kwam.

Na een half jaar dienst kwam ik weer voor een weekend naar huis, maar toen stond ze niet op me te wachten. Zo’n MP (militaire politie) zag me zoeken op het perron en vroeg wie ik zocht. Ik zei: ‘’Mijn meisje.” “Hoe ziet ze eruit dan?” vroeg ie. Nou ja, zo en zo. “Kom maar mee,’’ zei hij,‘’en niet schrikken.’’ Wat bleek? ze had slaande ruzie gekregen met haar stiefmoeder, dat was toch zo’n secreet. Hendri had de franjes van het vloerkleed niet netjes geborsteld en klappen gekregen. Ze had zich verweerd, maar toen had die stiefmoeder haar blouse kapot getrokken en haar nagels in haar gezet. Helemaal onder de striemen zat ze, en huilen…

We zijn toen naar mijn ouders gegaan. Mijn vader verzorgde de striemen en ik zei: “Ik loop effe naar Koos.” “Klauwtjes thuis!’’ zei mijn vader, want die kende me.

Koos de kapper wist nergens van, die was beneden aan het werk. Dus ik naar boven, heb ik haar een schuiver door de gang gegeven en van achttien treden naar beneden gegooid. En ik zei tegen Koos: “Als je je vrouw zoekt, die ligt op de mat.’’ Hendri heeft sindsdien niet meer thuis gewoond. Ze heeft bij verschillende vriendinnen gewoond tot aan ons trouwen.

Mijn vader zei er niks van, die deelde zelf ook wel eens klappen uit. Hij was gemeen, dat had hij van zíjn vader. Hij had nog een knuppel van zijn vader, die was bij de rivierpolitie geweest. Mijn broer en ik kregen er klappen mee als iets hem niet aanstond. Mijn broer zei een keer: ‘’Daar hangt dat rotding.’’ We hebben een bijl scherp gemaakt en die knuppel verzaagd tot damschijven. Dat hebben we natuurlijk wel geweten.

Mijn vader had wel meer streken. Op Katendrecht had je de meisjes die op straat werkten, daar deed ik weleens boodschappen voor. Dan was het: Henkie haal je effe speklappen bij de slager? “Ja hoor”, zei ik dan en dan bracht ik de boodschappen bovenaan de trap, ik ging nooit naar binnen.

Mijn vader weer kwaad, die gaf me een pak op mijn sodemieter, die geloofde niet dat er niks gebeurde. Hij is het na gaan vragen, maar het klopte.

Zelf deed hij behang- en schilderwerk en ik moest uit mijn werk lijm naar hem brengen in de Tollensstraat waar de meisjes toen zaten. Kom ik binnen, hoor ik hem lachen en doen, lag die ouwe daar te vozen.

Ik heb mezelf altijd netjes gehouden, alleen met mijn meisje deed ik het.

Hendri wist nergens van, die wist niet eens wat een jongen had, alles werd zo stilgehouden in die tijd. We gingen kroelen op de kop van Zuid in ‘de Molukken’, een loods waar Van Gend & Loos vrachtwagens had staan. Daar kwamen zo veel stelletjes. Je zag niks, lekker donker, maar ik ben ook eens op een gozer zijn kont gaan staan. Die lag met zijn meissie onder een dekzeil, dat had ik even niet gezien.

Toen ik uit dienst kwam ging ik weer werken, voor dienst werkte ik in de bouw als heier. Maar dat werk was gedeeltelijk geautomatiseerd dus er waren nu minder jongens voor nodig. Ik ben toen voor Shell Pernis gaan werken en daar ben ik veertig jaar gebleven. Assistent operator was ik maar ik deed ook wel extra klussen voor de Shell. Hendri vond het werk als kapper niks, die is bij de PTT in de kantine gaan werken. Wij hebben toen een paar jaar gespaard en ons veel ontzegd om spullen voor ons huis te kunnen kopen. Dat huis kregen we via Shell in 1960, zo kwamen we in Vlaardingen terecht. Het was een heel klein huisje met één slaapkamer aan de Wagnerstraat.

Mijn oudste zoon is daar geboren. Ik weet nog dat ik op een dag thuiskwam en een gil hoorde. Ga ik in de kinderkamer kijken, zie ik alleen Hendri’s hoofd boven de grond, finaal door de vloer gezakt met baby en al. Of we misschien te veel water hadden gebruikt vroegen ze bij Shell. Er bleek al tijden regenwater onder die vloer te stromen. We kregen nog een zoon en zijn naar ons volgende huis in de Madridstraat verhuisd.

We hadden het goed samen, veel gelachen, we plaagden elkaar. We zijn zevenenvijftig jaar samen geweest met de verkeringstijd mee. Ze kreeg het op een gegeven moment ook in haar hoofd, net als haar moeder en Koos, haar vader. Dat had ze bij de geboorte meegekregen blijkbaar. In 2014 is ze overleden in het Sonnehuis. Ik was net bij haar geweest, ik ging twee keer per dag. Ik had net gedoucht, liep nog in mijn hemd en onderbroek, toen belde mijn schoondochter dat ze was overleden. ‘’G**ver*****,’’ zei ik, ‘’hoe kan dat nou, ik was er net.’’ Ik ben zo de deur uit gevlogen, in mijn onderbroek, in één run naar het Sonnehuis. Ze wisten niet wat ze zagen.

Ik koop elke week een paar grote bossen bloemen, vazen vol, omdat zij daar zo van hield. En dat blijf ik doen zo lang ik leef. Weet je wat gek is? Ik droom elke nacht van haar, en elke ochtend is mijn kussen nat van de tranen.’

Tekst: Marga de Waard
Foto: Henk & Hendri privé album Henk

Als lid kun je álles lezen en bekijken op Marga's Magazine

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Winkelwagen
Scroll naar top