Wil je met me lopen? Verhalen over verkering – Wim en Ina (beiden 93)

‘We zijn getrouwd in 1953, toen waren we zeven jaar samen.
Dus da’s 75 jaar geleden.‘
‘Maar kregen we niet wat in 1947 dan?’
‘Nee hoor, volgens mij was het in 1946… Ga maar na.
We zijn 68 jaar getrouwd, plus zes…’
‘Ja, maar het is zeven want we gingen met elkaar in 1946, niet ’47, dus het is 75 jaar.’
75 jaar verkering…En dat blijft het na enig heen en weer gesteggel. 

‘Hoe het nou precies begon kan ik niet goed zeggen. Ik denk tijdens een bezoek aan de bioscoop. We gingen met een groep vrienden vaak naar Capitol in Rotterdam. Zo net na de oorlog had je vriendengroepen van meisjes en jongens die met elkaar optrokken, daar zaten wij ook bij. Je was zo blij dat je weer naar buiten kon, andere jongelui ontmoeten.

De jongens gingen ’s ochtends lopend kaartjes kopen en ’s middags gingen we met zijn allen met de bus naar de voorstelling. Wim en ik kwamen naast elkaar te zitten en er is een vonk overgesprongen, dat moet wel. We zijn vaak naar de film geweest, ook naar de Passage in Schiedam. Meestal op zondagmiddag want Wim moest ‘s morgens eerst turnen. Eerst gingen we met die vriendengroep, later met vijf stelletjes die daaruit waren ontstaan. Die zijn we trouwens altijd blijven zien. Maar nu zijn alleen wij nog over, dat is de keerzijde van zo oud worden, er blijft niemand over om verhalen mee te delen.

Eigenlijk vond ik Wim eerst een beetje een klier. “Liggen blijven!” had hij geschreeuwd naar mijn nichtje. Die deed iets niet helemaal goed tijdens een gymuitvoering op het plein waar we samen aan meededen. ‘Nou zeg’, dacht ik bij mezelf. Hij was de zoon van de gymleraar maar dat wist ik toen niet. Ik had hem al weleens gezien maar echt kennen, nee.

Dat het echt officieel werd en we bij elkaar thuis kwamen was toen ik roodvonk kreeg. Toen mocht Wim voor het eerst bij ons thuis komen om me te bezoeken. Achteraf gek, want het was hartstikke besmettelijk. De moeder van Wim moest wel even aan me wennen. ‘’Moet je per se die verwaande hebben?” vroeg ze hem. Nou was ik niet verwaand, eerder verlegen. Maar het kwam, denk ik, door mijn kleding. Mijn moeder maakte mijn jurken, vaak van bijzondere stof of met een apart model. En dat viel op, zo net na de oorlog. Het leek heel wat, maar het stelde eigenlijk niet zoveel voor. Mijn moeder had er gewoon plezier in.’

‘Ik vond Ina leuk om te zien; door die jurkjes natuurlijk, maar vooral door haar krullen. Ze had zulke mooie pijpenkrullen.’

‘Ik droomde als meisje van een lange man met donker haar. Maar ja, waar kwam ik mee aan? Het kleinste mannetje van allemaal en donker haar had hij ook niet! Ik weet niet waarom, maar er moet toch sprake zijn geweest van een bepaalde aantrekkingskracht.’

‘Ik had niet zoveel zakgeld om Ina mee uit te nemen, maar soms gingen we naar het Platje op het Westerhoofd. Een café-restaurant met een veranda, waar we dan met een groep van een man of tien naartoe gingen. Er werd bier gedronken door de jongens of soms imitatie, een mengsel van bier en gazeuse. De meisjes namen enkel gazeuse, die dronken eigenlijk nooit alcohol, zelfs niet op een verjaardag. Ik dronk chocomelk, tot hilariteit van de jongens maar ik hield niet van dat bittere bier.

In 1949 was ik klaar met mijn studie, vrijwel aansluitend zou ik naar Indië vertrekken. Ik heb Ina vooraf nog wel eens gewaarschuwd; ik ben nu aan het studeren en dan moet ik ook nog in dienst, weet waar je aan begint. Maar dat vond ze blijkbaar niet erg. Ik had alle prikken al gehad, zover was het al, maar vlak voor mijn vertrek vond de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië plaats.’

Doordeweeks zagen we elkaar alleen in de trein; ‘t was maar een kort stukje maar toch, je zag mekaar tenminste. Ik ging naar mijn werk in Den Haag bij de post- en girodienst. Wim naar Schiedam om over te stappen naar Dordrecht waar hij weg- en waterbouw studeerde. In de weekenden waren we wel samen, vaak waren er dan uitvoeringen van verenigingen waar je heen kon en we hebben jaren op turnen gezeten en op dansles bij dansschool Korpershoek.’

‘We doken ook weleens een steegje in en dan speciaal die bij de huizen in de Prins Hendrikstraat. Die stegen waren lekker warm en ze hadden een deur zodat niemand je zag. Kon je een beetje rommelen met elkaar. Op een avond waren we daar en kwam de bewoner naar buiten om de deur op slot te doen. Wij stonden verstijfd tegen de muur maar als die deur op slot ging konden we er niet meer uit. Dus vroegen we: ‘’Mogen we er eerst nog even uit?” Die man schrok zich helemaal rot.

We mochten ook wel alleen thuis zijn, maar dat schoot niet op want er waren altijd jongere kinderen thuis. Ik gaf mijn broertje en zusje dan vijf cent voor een ijsje met het verzoek niet te snel terug te komen. Het bleef uiteindelijk niet bij zoenen maar we pasten altijd goed op, we gebruikten altijd een condoom. Ik was ook lid van de NVSH. Ik was een keer vergeten de contributie te betalen, toen kwamen ze aan de deur. Tegen mijn moeder zei ik dat ze collecteerden voor de Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden, want die moest niets hebben van zulke dingen.’

‘In december 1950 zijn we verloofd en in december 1953 zijn we getrouwd. Een huis krijgen was niet makkelijk, er werd nog veel ingewoond. Om je zelfs alleen maar in te kunnen schrijven moest je samen vijftig zijn. Wij hadden geluk; in Vlaardingen werd veel gebouwd voor de mensen van Shell en van de kunstmestfabriek, van dat grotere aanbod profiteerden de Vlaardingers mee. En dat de vader van Wim een geziene figuur was in de stad hielp ook, daardoor hadden we vrij snel een woning. Later verhuisden we naar Maassluis, daar hebben we dertig jaar gewoond. Nu zijn we terug in Vlaardingen. We zitten hier best, al liepen we in het begin steeds tegen elkaar op omdat het zoveel kleiner is. Het uitzicht is ook wel aardig, wat hoger, beetje bomen, je zit vrij.’

‘Dat daar is de Meerpaal.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja hoor, want ernaast zit de Heemstede, dus rechts zit de Meerpaal.’
‘Ik weet het niet zeker, zou het echt de Meerpaal zijn?’
‘Ja, het is de Meerpaal, ik weet het zeker.’
‘Misschien heb je toch wel gelijk.’
‘Ja hoor, de Meerpaal.’

Tekst; Marga de Waard
Foto: Het platje, Stadarchief Vlaardingen

Als lid kun je álles lezen en bekijken op Marga's Magazine

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Winkelwagen
Scroll naar top