Vroeger dronk ik wijntjes met Jos, mijn beste vriend van toen. Tot diep in de nacht bespraken we politieke en maatschappelijke situaties waar we geen bal verstand van hadden. Grote meningen omfloerst door naïviteit die je verliest als je ouder wordt. De wereld moest beter en wij wisten hoe. We voerden actie tégen sinaasappels uit Zuid-Afrika, vóór zuivere koffie uit Nicaragua, demonstreerden tegen racisme en kernraketten en riepen op tot solidariteit in rokerige zaaltjes.

Privé struikelden we over scharrels die het nét niet waren tot Jos op een dag beet had. Ze was net negentien, tien jaar jonger dan hij. Ze woonde nog thuis met elf broertjes en zusjes en wapperde politieke statements weg met ‘ga nou niet weer zo zwaar op de hand doen hè’. Ze paste van geen meter bij hem maar haar rondborstigheid en de gezelligheid van dat grote gezin maakten veel goed. De grote idealen verdwenen wat naar de achtergrond, de wijntjes bleven wel.

Na twee jaar maakte ze het uit, ze vond zich te jong om zich met zijn dromen te verbinden. Jos was ontroostbaar, het wijntjes drinken nam in frequentie toe maar het thema was definitief veranderd.
Hoe kon ze dat nou doen, hij hield toch van haar en met de bodem van de tweede fles in zicht:
‘Het leven heeft geen zin meer.’ Ik riep tut tut en ben je mal, geen handvol maar een land vol en meer vergelijkbare dooddoeners die niet hielpen.

‘Ik ga op reis voor langere tijd’, zei hij, ‘naar de Filipijnen.’ Het leek me ver en vaag en met een licht gevoel van ongerustheid wenste ik hem plezier. Dat hij van plan was zelfmoord te plegen wist ik natuurlijk niet. Ik kreeg een brief van hem waarin hij me bedankte voor de goeie jaren en dat hier op dit eiland zijn leven in de golven zou eindigen. Ik kon niets anders dan wachten, wachten op wat verder ging komen.

Uiteindelijk ging de bel.
‘Hoi’, zei hij.
‘Oh’, zei ik, ‘toch niet dood?’
‘Nee, leek me lullig voor mijn ouders…’
We dronken er een glas op.

Na drie maanden kwam er een brief uit de Filipijnen, van een vrouw die hij daar had ontmoet. Een Filipijnse die werkte als escort, bodyguard heette het daar. De armoede was groot en het levensonderhoud duur. Sightseeing met een happy end was én een manier van overleven én om je andere bodyguards van het lijf te houden. De tijdelijke vriendin van mijn vriend heette Lulu en meldde in de brief dat ze zwanger was.
‘Hoe weet je dan dat het van jou is?’
‘Tja’, zei hij met een vage glimlach.
Hij vermengde zijn hang naar een gezin met het wereldverbeteren door een verblijfsvergunning voor haar aan te vragen. In de tussentijd schilderde hij zijn huis, legde een nieuw tapijt en richtte een babykamer in.

Ze kwam in december, zat zwijgend met kippenvel op de bank. Alle pogingen van mij en andere vrienden om haar zich thuis te laten voelen ketsten af tegen de wand. De wijntjes namen af want zo’n strak voor zich uit kijkende vrouw is niet uitnodigend.
‘Ze is verlegen’, zei Jos.
Ik had mijn twijfels maar wilde hem graag geloven.

De laatste keer dat ik hem zag was bij hem thuis. Hij was bezig met tapijt leggen in de woonkamer.
‘Dat ligt toch net?’
‘Ja, maar ze wil alles nieuw.’
‘Hoezo nieuw?’
‘Nou alles, meubels, kleding, behang, gewoon alles…’
Hij keek niet naar me.
‘Da’s best veel’, zei ik.
‘Ja maar ze is niks gewend, daarom.’
De logica ontging me.
‘Wil je een kat?’
‘Nee, ik heb een kat, moet die ook weg dan?’
‘Ja, ze wil een jonge kat.’
Ik aaide de hobbezak die al acht jaar bij hem woonde. ‘Je bent de Sjaak’, fluisterde ik in zijn oor.
‘Ja en nog wat, ze vindt mijn vrienden niet zo leuk, ze wil niet dat ze nog komen.’
‘Wil ze ook nieuwe zeker?’
‘Doe nou niet’, zei hij, ‘ik weet het wel maar ik heb nou eenmaal gekozen.’
‘Ok’, was alles wat ik nog zei.

Zo verloor ik alsnog mijn vriend.
Het zou twintig jaar duren voor ik hem weer zag, in een bouwmarkt in een stad waar ik nooit kom. Hij stond bij de rollen tapijt.
‘Moet je nu alweer tapijt?
Hij deed zijn vage lachje.
‘Gaat het goed?’
‘Ja, en met jou?’
‘Ook goed.’
Ik zag opeens Lulu en twee dochters. Eén van een jaar of achttien en één van ongeveer twaalf.
Ik keek naar de oudste, of ik iets van hem in haar zag.
Hij zag me kijken. ‘Ze is gisteren wezen demonstreren tegen racisme.’
Ik glimlachte naar hem, weer even verbonden.
Noem het een happy end.

Tekst: Marga de Waard
Affiche/foto: Opland