‘Ik had een wietplantage,’ zegt ze. “Niet zo zeer mijn planten maar ze warren mijn verantwoording zei de rechter omdat het appartement op mijn naam stond.’
Ze voldoet aan bijna alle clichés van het hockeymeisje op leeftijd uit een gegoede buurt. Haar gestylede haar doet in de verte denken aan de coupe van Beatrix, de vermoedelijk echte parels glanzen zachtjes in haar hals en ze praat met het accent dat gebruikelijk is in die prijsklasse.
Ze kijkt me spottend aan met een blik die me straft voor mijn vooroordelen.
‘Ik ben nu drieënvijftig en ik heb mijn man, de specialist, achtentwintig jaar helpen bouwen aan de façade die hij leven noemt. Op een dag zat ik naar hem te kijken en dacht: ‘da’s nog een heel eind tot mijn kist.’ En er achteraan: ‘als ik er nog iets van wil maken, moet ik het nu doen want eenmaal boven de zestig gaan mensen niet meer uit elkaar, die hebben zich bij de feiten neergelegd, onverdraaglijk of niet.’
Dus ik ging weg met een kunstenaar die ik had ontmoet in de galerie van een vriendin.
Zesentwintig jaar en vol levenslust.’ Ze kijkt me vol zelfspot aan en gaat verder: ’En zolang ik betaalde deelde hij die met mij. Dat de relatie geen eeuwigheidswaarde had, was helder maar dat boeide me niet, het ging om de ervaring.
Ik heb een goeie tijd gehad, kan niet anders zeggen. Hij vluchtte terug naar zijn atelier op het moment dat de politie een inval deed in het appartement dat ik met hem had. ‘Plantjes voor eigen gebruik’ noemde hij het, maar de rechter noemde het een plantage.
De flat stond op mijn naam, dus de rekening was voor mij. Het grootste deel heb ik door mijn man, de specialist, laten betalen. Ik vond dat ik wat tegoed had van hem.
Hij betaalde zonder morren, uit doodsangst voor publiciteit en de reactie van ‘vrinden’.
Momenteel woon ik op een boot van kennissen, daar kom ik de zomer wel op door.
Van mijn inmiddels ex-man heb ik nog een jaar of twintig alimentatie tegoed en hij koopt een huis voor me, dus ik maak me niet druk.’
En dan afsluitend met een flauwe glimlach: ‘Wat hormonen al niet doen met een mens.’

Tekst: Marga de Waard
schilderij: Gerard Schaperkotter