‘Ik heb drie relaties gehad de afgelopen vier jaar, twee dood, één verbroken. Met mannen waren die relaties, ik ben homo. Niet dat ik één dag in de kast heb gezeten want mijn moeder had op de lagere school al door wat voor vlees ze in de kuip had. Dus op dat strafbankje heb ik nooit gezeten.‘
Hij zit tegenover me in een café met koffie vóór en een hondje naast zich.
Een grote man van ergens in de zeventig met wit haar, een nog gladde huid en een zwarte bril. Hij draagt een witte trui van vermoedelijk polyester uitgevoerd in een kabelmotief. Met zijn zwarte broek, zwarte instappers, schakelarmbanden, meerdere zegelringen en halskettingen zet hij een karakteristiek beeld neer van de kroegbaas met Perzische tapijtjes op zijn tafels.
‘Mensen zeggen tegen me: “Je ziet er niet uit als een homo”, maar hoe ziet een homo eruit dan? ‘t Is aanleg, geen prijs in een schoonheidswedstrijd. Ik trek me niks aan van wat mensen vinden. De gemiddelde mening van een mens wordt noch geplaveid met feiten, noch met kennis dus als je je daarmee bezig moet gaan houden.’ Hij stopt zijn betoog om het hondje zijn koekje te voeren. ‘Lekker he?’ Maar de hond twijfelt en laat de helft van het boterkoekje liggen.
‘Twee dode relaties in vier jaar maar da’s nog altijd beter dan het rampjaar 2015 waarin ik negen vrienden in de aula opzocht. De tiende heb ik laten gaan, ik kon er niet meer tegen. Oud worden is tof hoor…
De man die in het begin zat van die vier jaar zoop zich dood. Dokters hadden hem honderd keer gewaarschuwd, hij had al een omgelegde kransslagader en er hadden nog wat ingrepen plaatsgevonden maar er vloeide alcohol in plaats van bloed door zijn aderen. De roep van de drank was sterker dan die van de arts. Dus ging hij dood en het was een lelijke dood want drank sloopt je in etappes.’
Hij kijkt peinzend door de met spuitsneeuw bewerkte ramen van de kroeg, voor hij verdergaat.
‘De tweede was al behoorlijk in de lappenmand toen ik hem leerde kennen. Die was van het balkon gesprongen, hij kon niet zo goed met slecht nieuws omgaan. Hij kwam op zijn voeten terecht dus zijn knieën zaten ter hoogte van zijn oren en zijn stuit was verpulverd tot gruis. De dokters wisten hem toch weer op de been te krijgen, letterlijk. We kregen kennis aan elkaar in de revalidatiekliniek want daar zat ik ook even vanwege een heup die niet lekker liep. Ik nam hem mee naar huis want ik had medelijden met hem. Hij knapte langzaam weer op. “Dat komt door die stamppotten van je’’, zei hij. Met mijn stamppotten kun je huizen voegen, dan kun je de fundering achterwege laten.
Maar na een paar maanden ging het toch mis. Die stuit was helemaal stuk en er ontstond daar een gat. En dat gat werd steeds groter, op het laatst konden er twee vuisten in, zo groot. Of hij van binnen werd opgevreten door iets. Hij schreeuwde van de pijn en om zijn moeder. Goddank ging hij dood.
Ik vraag me alleen nog steeds af waarom hij eigenlijk van dat balkon is gesprongen, vergeten te vragen…

Die derde was ook niet in orde maar dat merkte ik pas toen hij in mijn bed lag. Die lustte graag een biertje maar het was ook zo’n ouwe vent dus daar mankeerde wat aan. In zijn geval was zijn blaas lam. Elk uur de wekker zetten wilde je ’s morgens met droge voeten wakker worden. En dat was nog tot daar aan toe maar als dat wekkertje ging begon hij gelijk te schelden en maakte me uit voor alles wat mooi en lelijk was. Dus daar heb ik voor bedankt, er zijn grenzen nietwaar?
Dat was vorige week, dus nu zit ik hier in mijn eentje naar de lokale kerstversiering te kijken.‘
Zijn blik blijft hangen op de in drie kleuren knipperende verlichting boven de bar.
‘Je blijft hopen dat je nog iemand tegenkomt maar de spoeling wordt dun als je tegen de tachtig loopt. Voor Kerst 2019 zijn de kaarten in ieder geval geschud.
Hij en ik samen aan de Glühwein’, terwijl hij naar zijn hond wijst.
‘Proost alvast, en vrolijk kerstfeest dan maar…’

Tekst & foto: Marga de Waard