Hij loopt niet, hij kantelt zich als een staande klok naar voren.
Zonder enige twijfel een bodybuilder; een massief lichaam en net te bruin voor de tijd van het jaar.
Een donkerblonde man met blauwe ogen, één meter tweeëntachtig, vierennegentig kilo.
Hij is vriendelijk en beleefd maar gereserveerd. Op de sportschool praat hij eigenlijk alleen met de trainer over schema’s, doelen en prestaties. Heel af en toe wisselt hij weleens een paar woorden met een andere sporter maar hij is erg op zichzelf.

Hij heeft zichzelf groot gemaakt, letterlijk qua lichaam en figuurlijk qua prijzen en titels die er in zijn vakgebied te verdienen zijn. Alle dagen traint hij, ’s morgens en ‘s middags drie uur krachttraining en ’s avonds conditietraining. Hij werkt hard om zijn lichaam verder te perfectioneren en te onderhouden. Het speciaal voor hem samengestelde dieet aangevuld met een reeks supplementen volgt hij nauwgezet, nooit laat hij zich verleiden tot snacks of uit eten gaan, zelfs met Kerst voert hij zijn programma door. Voor hem voelt het niet als offer, het is gewoon wat hij doet en waar hij voor leeft.
Bijna wekelijks neemt hij deel aan een wedstrijd om te showen wat hij aan spieren heeft opgebouwd. Hij wint er veel prijzen mee. Hij is één van de beste, heeft kampioenstitels, in zowel binnen- en buitenland op zijn naam staan.

‘Ik ben gedreven’ zegt hij, ‘weet je waar die gedrevenheid vandaan komt?
Hiervandaan’ en hij schuift een foto naar me toe. Ik zie een tenger witblond jongetje van een jaar of negen met een brilletje. Ik vermoed dat hij het zelf is, maar herkennen doe ik hem niet.
‘Dit ben ík, enigst kind van oude ouders. Ze waren wel blij met me maar hadden geen idee wat zo’n jongetje nodig had. Ze trokken met kleren aan die in hun jeugd hip waren, hadden geen idee wat er speelde in de actualiteiten en misten daardoor pedagogisch de boot.
Het netto resultaat was dat ik van mijn zesde tot mijn zestiende ben gepest door wisselende groepen kinderen. Ik trok het aan blijkbaar en was niet in staat met te verweren. Mijn ouders hadden geen flauw idee. Als ik thuis kwam met een verbogen bril of blauwe plekken, dan zeiden ze; ‘doe toch niet zo wild!
Van mijn zesde tot mijn zestiende da’s tien jaar, meer dan de helft van het aantal jaren dat ik bestónd. Hoe dat kon? Leraren deden in mijn tijd pesten nog af als kwajongensstreken. En daarbij kwam dat in het tyfusgat waar ik woonde, maar één school was, een lagere en middelbare in één, ik kon geen kant op.
Elke dag werd mijn eten afgepakt, mijn bril van mijn hoofd getrokken, ik werd opgewacht, geslagen, bespuugd, iedereen wist het en niemand, maar dan ook werkelijk niemand heeft ooit één vinger uitgestoken om me te helpen. Ik was een eenzaam kind en volledig op mezelf aangewezen.

Ik ben nu nóg alleen, mijn ouders zijn dood, ik heb geen vrouw, geen vrienden, niks. Toen was er niemand, nu hoef ik niemand.
Ik heb mijn sport en daar dwing ik respect mee af, eindelijk en da’s genoeg. Alles onder controle.
Ik heb de sporen van mijn jeugd achter me gelaten, althans dat dacht ik. Maar wat gebeurt er een paar maanden geleden?
Staat opeens één van die etterbakken die me altijd zo treiterden voor me. Hij herkende me natuurlijk niet. Even voelde ik me weer dat jongetje wat altijd zo gepest is maar toen dacht ik wacht even… Ik ben hem achterna gelopen naar een stille plek. Ik heb één knal uitgedeeld, meer niet. Ik zei: ‘zo zak stront, die had je nog tegoed’.
Maar ja, het was zo’n frommelig kantoorpikkie geworden, dus je kon hem gelijk wegdragen.
Politie erbij, ambulance, ik heb het netjes afgewacht. Een werkstraf hield ik er aan over, ik heb hem met plezier uitgevoerd.Een jongetje van negen in een groot lichaam kijkt me tevreden aan.
Niet alle geweld is zinloos.

Tekst & foto: Marga de Waard