Voor mijn ouders betekende opvoeden vooral vertellen wat je niet goed deed en nooit vertellen wat je wel goed deed. Gemeten op een pedagogische schaal van nul tot tien scoorden ze een drie. Ik heb geleerd hoe ik mijn tanden moest poetsen, mijn kleren moest vouwen, mijn kamer op moest ruimen en meer van dat soort praktische vaardigheden maar geen enkel inzicht in hoe ik moest leven.
Ik ging uit huis met goedbeschouwd twee lege koffers…

Mijn vader zei niet veel, bij voorkeur niks. Elke dag om exact tien over zes ’s morgens verliet hij het huis om aan de stad te gaan bouwen, niet uit liefde maar omdat dat nou eenmaal was wat hij deed. Om vier uur ’s middags stapte hij weer binnen. Hij verdween zwijgend achter de krant, at daarna zwijgend zijn eten en keek zwijgend naar de televisie. Om acht uur koffie met een koekje en om kwart over tien naar bed. Een kleine veertig jaar is dat zo gegaan. Op zijn zevenenvijftigste werd hij afgekeurd vanwege een versleten rug. Hij nam plaats in een stoel achter een geranium en keek naar buiten, zwijgend uiteraard. Hij nam het leven waar maar deed er niet aan mee.
Voor mijn moeder was het stof-, smet- en kruimelvrij houden van het huis haar hoogste levensdoel. Er werd dag in dag uit gepoetst, gezeemd, geruimd. Je speelgoed kon bij thuiskomst opeens gehalveerd zijn, ‘want je speelt er toch niet mee’ of de kooi met parkieten was van de muur verdwenen, want die ‘maken zo’n troep’. Naar jouw mening of gevoelens werd niet gevraagd.
Met het eindeloze poetsen en ordenen hield ze de onvrede over haar bestaan onder controle. Als meisje had ze zich het leven heel anders voorgesteld en dat maakte haar bitter en hard. En dat hebben wij als kinderen geweten.

Ik ging op negentienjarige leeftijd samenwonen met een vijfendertigjarige vrouw met twee kinderen. Mijn ouders vonden het niks, mijn moeder sprak over schande en DIE vrouw, mijn vader deed er het zwijgen toe maar ik zag geen probleem; ‘t was toch fijn?’ Na tien jaar worstelen met een onoverbrugbare afstand tussen haar en mij zag ik het probleem ook.
Maar het deed wel pijn. Mijn moeder zei: ‘Ik wist wel dat het zou mislukken’ en negeerde mijn verdriet.

Ik stortte me in de armen van de eerste vrouw die ze opende, alleen zijn kon ik niet. Ze was zeven jaar jonger en had vroeger wel eens drugs gebruikt. In de jaren die volgden bleek vroeger synchroon te lopen met gisteren. En met elke nieuwe dag was er ook weer een nieuwe gisteren. Ik was jarenlang verwikkeld in een strijd over verbroken beloftes, ruzies, opnames en beterschap. Uiteindelijk gaf ik op en zij rekende af. Het kind dat we samen kregen heb ik tot op de dag van vandaag niet meer gezien.
Mijn moeder zei: ‘Eigen schuld, wat moet je ook met zo’n junk? Dat kind groeit zonder jou ook wel op voor galg en rad.’ Mijn vader zei niks want die was toen al dood. Niet dat het veel uitmaakte.

Na die twee successtory’s besloot ik het anders te doen. Deze keer vond ik een ‘gewone’ vrouw.
Niks op aan te merken, ze was lief, aardig, van mijn leeftijd, geen verslavingen of afwijkingen.
Maar ze was wel héél gewoon: abonnee van de libelle, fietstochtjes door het bos, taarten bakken als het regende, kerstmarkt, deed puzzeldingen. En alles in huis even schoon en ordelijk.
Maar geen passie of drive, een visie of ideeën die verder gingen dan de standaard. Eerst wuifde ik het weg, rust was ook wat waard na al die herrie in de voorgaande jaren. Maar er knaagde wel iets.
Het ging mis op de dag dat ze een namaakplant kocht. ‘Net echt’, zei ze, ‘het is zijde, en super praktisch, echte planten geven zo’n rommel.’
En toen flipte ik, ik ben dezelfde dag vertrokken.
Mijn moeder zei: ‘Nou heb je eens een fatsoenlijke vrouw, is het weer niet goed.’
Ik zei: ‘Als je nou je bek niet houdt sla ik hem dicht…’
Het kwam uit mijn tenen.
Mijn moeders mond was één rechte streep: ‘Kun je wel tegen een vrouw van vierenzeventig?’
Kun je wel tegen een jongetje van vier of zes of twaalf, dacht ik bij mezelf. Ik heb de deur achter me dichtgetrokken en ben nooit meer terug geweest.

Het was met afstand het beste wat ik voor mezelf heb gedaan.
Je hele leven snak je naar liefde, wil je er zo graag eens toe doen en elke falende liefde vertelt je wat een loser je bent. Maar dat is maar de halve waarheid en dat weet ik nu.
Ik heb een eigen appartementje, niet groot, de wijk is niet optimaal en dat uitzicht op een stuk blinde muur had ook beter gekund. Ik voel me er goed, ‘t is ingericht naar mijn smaak, of die nu goed of slecht is en opruimen doe ik als ik zin heb. En alleen zijn is niet erg meer.
Ik heb nog parkieten overwogen maar dat vond ik sneu, die beesten in zo’n kooi.
Dus het werd een kat, een kater. Die kijkt ’s avonds tv met me, gezellig, mannen onder elkaar.
En die koffers heb ik weggedaan.

Tekst: Marga de Waard
Foto: onbekend