Eén van mijn neven heette Leo, hij was de zoon van een zus van mijn vader. Leo was een paar jaar ouder dan ik en doofstom. Als kind vond ik hem raar zoals kinderen alles wat anders is raar vinden. Hij produceerde een onverstaanbaar ritme van te harde klanken. Ik zag hem regelmatig bij mijn oma, op zaterdagmiddag. Hij gorgelde mijn naam als hij me zag en begon een verhaal vol wegglijdende klinkers. Hij wilde zo graag zijn verhalen vertellen, maar ik verstond hem nooit, alleen zijn moeder kon zijn klankconcert vertalen.
We werden volwassen, en ik verloor een beetje het zicht op Leo.
Via mijn moeder ving ik flarden van zijn leven op. Hij ging uit huis en kreeg een eigen flat.
‘En de deurbel heeft een lamp van binnen, anders sta je natuurlijk eeuwig voor de deur’, zei mijn moeder.
Het ging best goed met Leo, een lange, slanke man met donker haar, overduidelijk gemaakt volgens het ‘de Waard-concept’. Mijn moeder meldde op een dag dat Leo verkering had, met Yvonne, een meisje net zo doofstom als hij, opgeduikeld op de werkplaats waar ze beiden werkten.
‘Wat moet zo’n man nou met een meisje?’ zei mijn moeder. Een heleboel blijkbaar want in een geluidloze ceremonie werden ringen gewisseld en eeuwige trouw beloofd. Iedereen was blij, kwam het toch nog goed allemaal…Meer dan goed zelfs want Yvonne werd zwanger en ze kregen een zoon, Andrew, de gebruikelijke wolk en zonder het gebrek van zijn ouders.
‘Zo’n kind gaat natuurlijk heel raar praten, dat kan niet anders’, was mijn moeders bijdrage aan het geluk van die twee.
En gelukkig waren ze, een bescheiden leven met Andrew als kroon.
‘Heb je het al gehoord?’ vroeg mijn moeder. Nee, hoe dan, want zíj is mijn informatiekanaal.
‘Leo heeft kanker.’ Dat was een naar bericht, maar goed, ze kunnen zoveel tegenwoordig. Maar niet bij Leo want hij kreeg nou net een vorm waar niet zoveel mee te beginnen valt. Na de gebruikelijke struggle met chemo en bestraling stierf hij, vijfenveertig jaar oud. De verslagenheid was groot. Was dit nou nodig, vroegen zelfs mijn gereformeerde familieleden zich af.
Yvonne weerde zich dapper, voor haar kind en voor de herinnering aan Leo. Maar haar lot bleek wreed en onrechtvaardig. Andrew, de mooie gezonde zoon, die alles goedmaakte, werd ziek. Hij kreeg iets zeldzaams, het kwam eigenlijk nooit voor, maar bij één op de vijftig miljoen mensen ofzo.
Heel bijzonder maar wel ongeneeslijk. Hij stierf in de lente, een jaar na zijn vader, zes jaar oud.
De verslagenheid was te groot om onder woorden te brengen. We zwegen, net als Yvonne.
Iedereen pakte weer langzaam zijn eigen draad op, maar voor Yvonne is de last te zwaar en te oneerlijk. Woorden van troost kunnen haar niet bereiken, de klaagzang over haar wrede lot kan ze niet zingen. Voor altijd opgesloten in die eenzame stilte, omringd door oude beelden van vervlogen geluk.
‘Ze zou natuurlijk best wel vrijwilligerswerk kunnen gaan doen’, vindt mijn moeder.
Ik kijk naar haar, als zij eens zweeg…