‘Het leven is één grote desillusie.’ Ze zitten samen in de woonkamer, zij met de krant, hij met wijn, een fles.
Ach Jezus, daar gaan we weer. Die plaat zet hij nou al maanden op.
‘Ooh ja?’ zegt ze dan ook, onwillig om zich los te maken uit haar dagelijkse portie wereldleed.
‘Als je jong bent weet je nog niks, dus neem je welgemoed een aanloop richting een leven vol verlangens, dromen en idealen. Niet wetende dat het een fuik is die definitief achter je dichtklapt.
Als je eindelijk daar bent aangekomen waar je dacht te moeten zijn, merk je dat je langzaam afstervende lichaam zich naar een bergtop heeft gesleept, waar het uitzicht wordt belemmerd door een lachspiegel. Die geeft je een karikatuur van jezelf terug, met de rokende puinhopen van je echte verlangens, dromen en idealen smeulend op de achtergrond.’
Ze zucht een beetje, ze weet wat er komt en ziet zijn verdriet, maar toch… Ze kan hem niet helpen.
‘Je steekt jaren al je energie in het kwijlend achter de maatschappelijke worst van materiële welvaart, sociale status, en bijkleurende culturele genoegens aan hijgen, in de veronderstelling dat de worst uiteindelijk zal smaken naar vervulling en trots. Maar op een dag word je wakker met het gruwelijke besef dat je je hebt vastgebeten in gebakken lucht. De verslagenheid is groot maar onomkeerbaar.’
Als hij eenmaal is begonnen kan hij niet meer stoppen.
‘De idealen blijken verdampt omdat het niet zoveel uitmaakt of je door de kat of de hond gebeten wordt. En hoe hard we ons ook hebben verzet, we wérden onze ouders, of juist het tegendeel, wat op hetzelfde neerkomt. De goedbetaalde carrière smaakt bitterzoet, want in het rijk der benepen managers is kleingeestigheid koning en druilerige collega’s eisen hun stuk op van jouw taart. De investering in de kinderen betaalt zich gelukkig uit, die kunnen prima onderlegd op hún beurt hun plaats innemen in de ratrace. Dat hebben we dan toch maar geflikt… ‘ Hij kijkt haar aan met droeve ogen.
Ze kijkt naar hem, de drank trekt zijn vel nog strakker dan het al zit.
‘Vroeger hadden we plezier, ideeën, je was het meisje waar ik mee ging dansen…’
‘Het lijkt me niet verwijtbaar dat ik nu eenmaal ouder wordt’, zegt ze een beetje nijdig.
Een grote, nog steeds goed uitziende man is hij. Slechts hier en daar een beetje grijs, maar het staat hem. Hij was vroeger al een leuke jongen, zwierig, een beetje ondeugend, ze hadden inderdaad veel lol en grootse plannen gehad samen. Ze gingen het anders doen, maar opgeslokt als ze werden door verantwoordelijkheden maakten plezier en passie plaats voor zekerheid en comfort.
Zijn boosheid maakt hem onaantrekkelijk. Maar wat kan zij er nog aan doen? Alsof zij niet haar leven heeft aangepast aan het zijne, een sociaal wenselijk en nauwsluitend keurslijf heeft aangetrokken en zich volledig ten dienste van het gezin heeft gesteld…
En de dankbaarheid zit tegenover haar en woont op kamers.
Ze snapt hem wel, hij is ongelukkig. Hij slaat om zich heen, zoekt antwoorden die er niet zijn. Afscheid van zijn jeugd, stukje bij beetje van zijn kracht, van alle niet geleefde dromen, van alle ‘ik had zo graags’.
Zijn verdriet is ondraaglijk en het enige antwoord is, de feiten accepteren en er het beste van maken, wat zo mogelijk nog gruwelijker is dan de rouw om wat verloren ging.
Ze zou de jongen van toen weer in hem willen vinden, hem vasthouden, maar iets belet haar om op te staan…

Tekst: Marga de Waard
Foto: Joop