Ze wachten met zijn tweeën in de aula tot de kist met het lichaam van buurman Jan wordt binnengebracht.
Wat verkreukeld zitten ze naast elkaar in de te witte, strakke aula in hun uit de mottenballen opgeduikelde zondagse pakken.
De aula ademt de efficiënte sfeer die emoties binnen de perken houdt en de abstracte kunst aan de wanden wil je doen geloven dat doodgaan niks erg is. Even later wordt de grenen kist het podium opgereden, geen bloemen, geen lint, geen kaarten, alleen een loper met het logo van het crematorium er op. Omringd door tweehonderd stoelen waarvan er maar twee bezet zijn, heeft buurman Jan een bescheiden publiek.
De buurman was een eenling die eindeloze uren starend over het water doorbracht, met een hengel als excuus. Wat er in al die uren door hem heen ging weet niemand, want praten deed hij niet of nauwelijks.
Hij leefde sober en teruggetrokken in een klein arbeidershuisje waar nooit iemand kwam. Alleen met de twee mannen uit de straat wisselde hij weleens een paar woorden, voornamelijk over de visstand.
‘Hij schijnt toch een vrouw te hebben gehad’ zegt een van de twee mannen.
‘Die zal dan wel gillend gevlucht zijn’ zegt de andere man. ‘Ik geef d’r geen ongelijk, je wilt toch dat iemand eens wat zegt.’
Ze zwijgen even.
‘Wist je dat ie met zijn beste hengel in zijn kist ligt?’
‘Echt?’
‘Ja, en dat ding heeft een paar knaken gekost. Hij gaf nergens anders een cent aan uit, dus hij had wat te besteden.’
‘Da’s dan een mooie buitenkans voor die kraaien hier. Je maakt mij niet wijs dat ze zulke mooie spullen zomaar verbranden. Ze hebben een leuke bijverdienste op die manier. De familie is doorgaans verblind door tranen, die zien niks. En trouwens, wie vraagt vlak voor de kist de oven in gaat ‘mag ik even checken of de hengel, de sieraden vul maar in, daadwerkelijk in de kist zitten?’ Dat doe je niet. En daar maken die kraaien misbruik van.’
‘Nou ja, misbruik, ‘t is natuurlijk ook doodzonde om goeie spullen zomaar af te branden. Wat heeft dat nou voor zin, jij bent dood. Nou heeft een ander er tenminste wat aan. Eigenlijk is het egoïstisch om weet ik wat in de kist mee te geven want je onthoudt de samenleving goeie spullen.’
Een medewerkster van het crematorium komt op zachte schoenen aangeslopen, haalt het lopertje van de kist en geeft een sereen knikje aan de mannen. Ze staan op. De kist wordt weer van het podium afgereden door zwijgende mannen die dat vaker doen. Buurman Jan verdwijnt definitief van het toneel.
‘k Zou wel willen weten waar die kraaien hun handel naartoe brengen. Ik heb wel zin in zo’n mooi hengeltje.’
‘Snap ik, ‘t was echt een mooi ding.’

Tekst: Marga de Waard
Foto:onbekend