‘Ik ben nu negenenzestig en sinds twee jaar uit de kast. Mensen vragen me wel eens: “Weet je dat nu pas dan?” Het antwoord is ja en nee. Ik wist het maar heb het zelf niet begrepen en ik zat in een omgeving waar homoseksualiteit als een afwijking werd gezien. Mijn leven heeft een wonderlijke loop gehad.

Als jongen ben ik misbruikt, een nare, zwarte periode in mijn leven. Op het moment dat ik als veertienjarige gevoelens voor jongens kreeg weet ik dat aan het misbruik. Ik was beschadigd, dacht ik. Ik kon er met niemand over praten, thuis waren we kerks en woorden als misbruik of homoseksualiteit bestonden gewoon niet, niet in ons gezin in ieder geval.
Het maakte me tot een doodeenzame puber, naar binnen gekeerd en met zelfmoordgedachtes. Ik heb me door die puberteit heen geworsteld en ging studeren. Een gewone, onopvallende jongen die aardige cijfers haalde, zijn best deed, zonder vriendinnetjes en zeker niet met een vriendje. Het thema seksualiteit of geaardheid had ik weggestopt.

In mijn studententijd kwam ik in aanraking met de Pinkstergemeente. Ik ging een keertje met iemand mee en voelde me direct thuis. Het was zoveel vrolijker, lichter dan de kerk waar ik normaliter kwam. Ik werd met open armen ontvangen en iedereen was ontzettend vriendelijk en geïnteresseerd. Het deed me goed en de eenzaamheid uit mijn puberjaren verdween naar de achtergrond samen met mijn gevoelens voor mannen.
Het was binnen de Pinkstergemeente gebruikelijk dat je jong verkering kreeg, trouwde en een gezin stichtte. Dat gold ook voor mij en ik wilde ook graag ‘voldoen’ aan de verwachtingen op de plek waar ik me thuis voelde. Ik had geen gevoelens voor meisjes maar er was één meisje waar ik goed mee op kon schieten, dus haar heb ik gevraagd met me te trouwen. Ik was niet verliefd, voelde geen begeerte maar dat leek me niet zo’n punt. Na mijn studie zijn we getrouwd en we kregen uiteindelijk drie zoons. Ik vond een baan als leraar aan een middelbare school en was actief lid van de Pinkstergemeente. Maatschappelijk gezien was ik geslaagd, als leraar, gemeentelid, man en vader.

Ik had mijn vrouw wel verteld over mijn gevoelens voor mannen en ze had het zelf eens opgemerkt toen we samen achter de kinderwagen liepen. Het viel haar op hoe anders ik naar mannen keek, hoe mijn uitstraling veranderde. We zijn toen gaan praten met de voorganger van onze kerk, die ging met ons bidden om genezing. Bij ons in de kerk was homoseksualiteit een afwijking, een verzoeking door de duivel, een test van God, dus bidden om kracht en om uit de verleiding te blijven was logisch. Bij mij is nooit de gedachte opgekomen dat ik gay was, voor mij hielden mijn gevoelens voor mannen rechtstreeks verband met het misbruik in mijn kindertijd. Het bidden hielp niet, de gevoelens bleven maar ik praktiseerde ze niet. Hoe ouder ik werd, hoe hardnekkiger ze opspeelden leek het. Ik ging in therapie, maar die werd gegeven door iemand die ook de leer van de Pinkstergemeente beleed dus de invalshoek bleef hetzelfde. Zo heb ik nog meer therapieën geprobeerd maar altijd bij therapeuten uit de kring van de kerk, dus ik kwam niet verder. Ik vroeg me zelfs af waarom God zo’n hekel aan me had dat hij me dit kruis gegeven had. Mijn leven ging gewoon door, het was geen leven vol kommer en kwel. De status, het aanzien en mijn kinderen deden me goed. Mijn vrouw en ik waren een soort vrienden, de seksualiteit stelde niks voor maar dat deden we af als normaal of we zeiden tegen elkaar dat we nu eenmaal niet zo fysiek waren ingesteld. Voor alles was een verklaring.

Totdat mijn pensioen in zicht kwam. Het idee dat ik thuis kwam te zitten en het oppervlakkige leven met mijn vrouw zou moeten voortzetten tot mijn dood, benauwde me enorm. De oude behoefte aan contact met mannen speelde heftiger op dan ooit.
Ik kreeg een hartaanval waar ik fysiek heel goed van herstelde, maar psychisch niet. De arts stuurde me door naar een therapeut en bij haar vielen de stukjes eindelijk op hun plaats. Zij was niet verbonden aan een bepaalde geloofsrichting en stond neutraal tegenover mij. Voor haar was overduidelijk wat mijn ‘ziektebeeld’ was. Ik was homo, het had niets te maken met misbruik en door mijn religieuze overtuigingen had ik mijzelf in een hetero-keurslijf geperst en het paste niet, of niet meer. Het was zo’n gigantische opluchting om na al die jaren eindelijk het juiste antwoord te vinden. Ik wist dat het klopte en had er helemaal geen moeite mee. God hield net zo goed van mij als van een ander, ik werd niet getest, het was geen verzoeking. Ik was gewoon wat ik was: gay.

Het heeft enorme consequenties gehad: een echtscheiding, mijn kinderen willen me niet meer zien, mijn kleinkinderen mág ik niet zien, in de kerk ben ik niet meer welkom…ik heb nog drie vrienden, verder is iedereen weg. Ik ben verhuisd naar een ander dorp en ben mezelf gaan ontdekken na al die jaren, zonder keurslijf. Ik heb op mijn achtenzestigste voor het eerst gezoend met een man. Natuurlijk is het laat, zo tegen de zeventig, maar ik prijs me gelukkig dat ik de kans nog heb gekregen om te zijn wie ik ben.
Die jongen van toen had behoefte aan een warme plek, die vond ik bij de kerk en in mijn loyaliteit aan die gemeenschap heb ik mijn geaardheid nooit ter discussie gesteld. Ik neem het hen noch mezelf kwalijk. Ik voel slechts dankbaarheid dat ik eindelijk mezelf kan zijn ondanks de hoge prijs die ik heb betaald.’
Interview en foto: Marga de Waard

(mocht iemand in gesprek willen met Izaak dan kan dat dat, mail me dan even)