‘Ik heb best een goeie kop’, zegt hij tegen de spiegel, in een moment van tevredenheid met zichzelf. ‘Vrouwen vinden me best een lekker ding.’ Ik krijg genoeg aanbod om de liefde uit de lendenen in de tuin der lusten te vieren tenslotte…’
Niet dat hij er veel mee doet, hij zou niet eens weten hoe.
Hij woont weer bij zijn vader, slaapt in het kamertje waar hij als jongen ook al sliep. Een kleine kamer met een éénpersoonsbed schuin onder het dak. Niet echt een plek om een vrouw te ontvangen en zelf kan hij nergens heen. Zijn vader heeft hem zo ongeveer twaalf van de zestien uur per dag dat hij wakker is nodig. Een herseninfarct heeft zijn vernietigende werk gedaan.
In de kamer onder het dak staat de netto uitkomst van twee lange relaties opgestapeld in de hoek. Vijftien dozen met zijn resterende aardse bezit: acht dozen met boeken, vier met kleding en nog drie met zaken die je nodig hebt om in de samenleving te kunnen functioneren.
‘Je bent echt een goeie catch voor vrouwen jij, tweeënvijftig jaar, geen huis, geen werk, geen auto…Niks en laat ik vooral de bonus van een volledig bankroet niet vergeten. Vinden vrouwen ook leuk, hun eigen cappuccino afrekenen. Charmant, hééééél charmant.’
Het kan hem eigenlijk niet schelen wat vrouwen denken, hij begint toch nooit meer aan een relatie. Hij heeft zijn les geleerd en zijn conclusies getrokken. Straks weer een eigen stek en dan af en toe een vrouw in zijn bed maar niet aan zijn tafel. Vrij zijn en in rust het laatste stuk van zijn leven vormgeven. Na de hectiek van de afgelopen jaren en bijbehorende chaos komt dat hem voor als de hemel op aarde.
‘Maar zij dan?’ Vraagt hij zijn spiegelbeeld. Zij, die uit het niks op zijn pad kwam. ‘Ja, en zij dan?’
Een onverwachte ontmoeting, een moment van sprakeloze intimiteit omringd door honderd mensen. Het had hem overvallen, haar ook. Ze kent zijn verhaal. ‘Draai naar het licht’, zei ze tegen hem en glimlachte.
Haar lach stemt hem lichter, licht is wat hij voelt als hij aan haar denkt. Hij zou haar duizend vragen willen stellen, tweeduizend, alles weten wat ze denkt, voelt, hoe ze ruikt, hoe zacht haar huid voelt als ze in zijn armen ligt, de smaak van haar lippen op de zijne.
Een mooie ontmoeting.
Maar iets in hem wil haar wegduwen, er zijn nog te veel losse einden, te veel onrust, te weinig vrijheid, te veel verloren. Hij weet dat ze wacht, voorlopig…maar is het lang genoeg en waarop?
Hij voelt zich opeens moe. In de gang hoort hij zijn vader scharrelen.

‘Geef me een beetje tijd alsjeblieft meisje’,zegt hij zachtjes in de spiegel.
Dan draait hij zich om, tijd voor ontbijt.

Tekst: Marga de Waard