Mijn vaders dood

‘Dag mevrouw, u spreekt met John Adoe, de nachtwacht.’
Het is half drie ‘s nachts, hij belt me wakker.
‘De nachtwacht?’ vraag ik niet begrijpend.
‘Ik ben de nachtverpleger die deze nacht bij uw vader zou zijn.’
Oh ja, mijn vader gaat dood, heel even was ik uit die realiteit getild door een droomloze slaap.
‘Sorry dat ik u stoor om deze tijd, maar uw moeder heeft me net weggestuurd, dat wilde ik u doorgeven.’
Ik ga rechtop zitten. God, wat heeft ze nou weer gedaan!
‘Toen ik aankwam bij uw ouderlijk huis, deed uw moeder open. Ze keek me afkeurend aan en liet me binnen zonder een woord te zeggen. Toen we in de kamer van uw vader kwamen zei ze: “Nee, nee, dit kan écht niet, een zwarte aan het bed van mijn man, dat zou hij gruwelijk vinden.” Ze trok er een vies gezicht bij, dat was een vervelende ervaring voor mij.’
John Adoe  blijft er aardig kalm onder vind ik.
Ik zucht, ik ben moe na drie weken waken, weinig slapen en een scala aan ingewikkelde emoties.
‘Sorry’, zeg ik tegen hem, ‘maar ik heb geen controle over wat er uit mijn moeders mond komt.’
Was het maar zo, denk ik bij mezelf. Mijn moeders woorden kunnen meer schade aanrichten dan een jachtgeweer. We botsen al jaren, gevangen in een cirkel van onvervuld verlangen, onuitgesproken verwachtingen en gekwetstheid. We zijn geen glanzend, Libellewaardig voorbeeld van hoe mooi het tussen moeder en dochter kan zijn.
Ik doe het licht uit.
Een paar uur later, wéér telefoon. Wat nou weer? denk ik geïrriteerd.
‘Met je moeder, je vader is er niet meer.’
Ik doe het licht aan.
ik moet dit moment vasthouden maar ik denk alleen: eindelijk, het is gebeurd. Ik wil gewoon verder slapen met de deken over mijn hoofd.

Als ik  de volgende ochtend bij mijn moeder aankom wacht ze me in de gang al op met een catalogus vol kisten.
‘Help je even een kist uitzoeken?’ vraagt ze.
De vraag overvalt me, ik weet niks van de dood, ben niet bedacht op de praktische kant ervan.
Er zit een kraai aan tafel, zie ik. Zo één uit een film over een achtergebleven dorp. Hij geeft me een zachte, weke hand maar misschien speelt mijn verbeelding me parten. Mijn moeder heeft het over kisten, kaarten, bloemen en de crematie die geregeld moet worden. Ik voel alleen maar weerzin en denk: laat me met rust.
Ik blader door de catalogus. ‘Eiken maar’, zeg ik, het hele huis staat tenslotte vol met eiken.
Eiken wordt het, ‘en rode rozen’, zegt mijn moeder, ‘daar hield hij zo van’.
Is dat zo?  vraag ik me af. Ik vind mijn vader geen rozenman, meer een chrysanten- of fresiaman. Ik heb hem rode rozen gegeven toen hij vijfenzeventig werd. Vijfenzeventig stuks, vanuit de gedachte áchter rozen, niet om zijn voorliefde ervoor. Hij krijgt ze nu weer.
De kraai zegt: ‘Mijnheer ligt gekoeld in Rozenburg, in het dorp was de koeling vol.’
Ik kijk hem verbijsterd aan; is het mogelijk dat iemand zo’n zin produceert? Ik zie voor me hoe mijn vader in zo’n koelvak uit een detectiveserie ligt en mijn hart breekt. De kraai ziet me worstelen en vraagt: ‘Gaat het?’ Nee lul, denk ik bij mezelf.
We gaan verder, de tekst voor de kaart. ‘Mijn lieve man en mijn lieve vader’, zegt mijn moeder.
Ik vind lief nou niet een woord dat bij mijn vader past. Ik omschrijf hem vaak als een sociale autist. Hij zat het liefst in zijn stoel en keek naar buiten of naar de tv en als het met twee woorden kon dan liever geen drie. Ik heb geleden onder zijn onpeilbare zwijgzaamheid. Hij heeft me nooit echt gezien, laat staan begrepen.
‘Mijn lieve man en mijn vader’ wordt het. Het is háár man, zij mag haar eigen woorden kiezen.
‘De crematie zal zonder genodigden plaatsvinden’, zegt mijn moeder.
‘Oh’, zeg ik, ‘hoezo?’
‘Je vader had in zijn leven niemand nodig en bij zijn dood ook niet’, luidt het antwoord.
Ik voel me alsof ik gisteravond vier flessen wijn heb leeggedronken.
‘Oké, wat je wil’, maar ik denk: nee, niet alléén met mijn moeder. Ik kan en wil mijn emoties niet met haar delen. Op mijn verzoek worden een nicht en een zwager toegevoegd, het helpt iets.

Mijn vader wordt uit Rozenburg gehaald en opgebaard in het dorp. Ik ga met mijn vriendin kijken ‘hoe hij erbij ligt’. Ik ben nerveus, ik heb nog nooit een dode gezien, laat staan mijn dode vader. Het valt me mee. Hij ligt in een klein kamertje, er zijn bloemen en kaarsen. Mijn vader heeft bizar lange vingers zie ik opeens, het is me nooit eerder opgevallen. Ik heb ook lange vingers, het ontroert me, blij dat ik iets van hem heb. Ik probeer een mooie herinnering aan hem op te diepen maar kom niet verder dan de fietstochtjes als kind, op zondagen naar mijn oma. Dat is lang geleden, pijnlijk lang geleden.
Ik huil, ‘t was ook zo’n moeilijke man. Jarenlang heb ik geprobeerd zijn aandacht te vangen, hem te betrekken bij mijn leven, maar het is nooit gelukt. Opeens realiseer ik me dat ik met zijn dood niks meer hoef te bewijzen en dat lucht op. En meteen is er schaamte om dat gevoel, hij is nét dood!
‘Kom, laten we gaan.’
Ik werp een laatste blik in de kist en langzaam dringt het tot me door.
Mijn vader is dood.

Mijn vader overleed op 21 juli 2003

Tekst: Marga de Waard
Tekst foto: Fayol Daff

1 reactie op “Mijn vaders dood”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top