De buurvrouw

In de straat woonde een echtpaar met twee honden, negen katten en twee vogels. De buurt dacht er het zijne van want zo’n veestapel ruik je.
Een bovenwoning in de stad is waarschijnlijk niet helemaal geschikt voor een privé asiel. Als kind kwam ik er echter graag.
Zij was een vrij grote, zware vrouw, wier borsten als een soort enorme kwallen om haar middel deinden. Haar kleren zaten vol gaten, vlekken en haren en haar eigen haar hing in vettige sliertjes tot op haar schouders. Het huis had geen douche en haar haar wassen boven de keukengootsteen, met die in de weg zittende kwallen, vond ze rompslomp. Ze maalde niet om uiterlijkheden, haar dieren waren alles. Hij was een tengere, zwijgzame verschijning, met net zo’n verfrommeld uiterlijk en even gek op hun beesten als zij.
De kleinste hond, Teddy, was een bijtgraag ellendig loeder. Hij werd altijd even in de ‘mooie’ kamer geparkeerd als je kwam, anders vrat hij je op. In die mooie kamer mochten geen beesten komen, die was voor de visite die ze nooit kregen. De tweede hond was een grote blonde lobbes, Beer, en aangezien die dieren alles mochten stond hij bovenop de eettafel en scheerde met zijn ballen langs je theekopje. In de thee dreven altijd haren, in de chocolaatjes die je kreeg stonden afdrukken van poezentanden. Die poezen hadden vaak wat, een poot die het niet deed of een oog dat er niet meer in zat. De vogels waren treurige exemplaren. De ooit grijze ara was bijna helemaal kaal, en een groen exemplaar zat het permanent uit te krijsen van ellende.
De buurt had hen min of meer als rariteit geaccepteerd en zeiden gereserveerd gedag als ze hen, voortgetrokken door hun honden, tegenkwamen op straat. Het leven ging zijn gangetje maar opeens, ging de man dood. De buurvrouw bleef ontheemd achter, haar man was haar enige vriend geweest. Ze probeerde het wel alleen, maar de eenzaamheid was te zwaar voor haar hart en haar lichaam voor haar knieën. Haar leven verloor definitief zijn toch al schrale glans en langzaam sloeg de waanzin toe. Het valse loeder, Teddy, ging ook dood, ze legde zijn karkas in de mooie kamer. De kale ara gaf het ook op, viel van zijn stok en bleef eronder liggen. De lobbes hield dapper stand maar werd niet meer zo vaak uitgelaten en creëerde zijn eigen uitlaatplek in de gang.
De buren zagen het met lede ogen aan en grepen uiteindelijk in. De lobbes en bijna alle poezen werden weggehaald om nooit meer terug te keren. Het was beter zo, oordeelde de buurt. De buurvrouw bleef achter met twee katten en die krijsende groene vogel, maar de leegte maakte haar gek. Als er een buur met een pannetje soep voor de deur stond, beantwoordde ze de geste door met een keukenmes door de brievenbus te zwaaien. Haar manier om de nog overgebleven have te beschermen. Maar het hielp niet.
Zo ging het niet langer, oordeelde de buurt. De GGD reed voor met een ambulance en nam haar schreeuwend en huilend mee. Ze brachten haar naar een kliniek waar ze een paar weken later stierf. Een paar buren brachten haar naar haar graf, met een vaag gevoel van twijfel over hun goede bedoelingen. Nu maar hopen dat de hemel écht bestaat en dat de hele ark van Noach er rondloopt.

Tekst & Foto: Marga de Waard

1 reactie op “De buurvrouw”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top