De man op de begraafplaats

Ik kom wekelijks hier op de begraafplaats, mijn ouders liggen hier en mijn neef. Mijn vader pas kort, mijn moeder drie jaar en mijn neef alweer dertien jaar. Hij is verongelukt toen hij tweeënveertig was, doodgereden door een spookrijder op klaarlichte dag, in een oogwenk was zijn leven voorbij. Dat was een hard gelag. Sinds hij hier ligt kom ik hier, alweer dertien jaar dus, mijn neef was ook mijn beste vriend. Ik maak hun stenen schoon, haal het onkruid weg, en zet elke week verse bloemen neer. Bij de steen van mijn moeder bekruipt me wel eens een schuldgevoel, ze vond dat lopen naar de begraafplaats maar niks.
‘Jongen, de doden zijn wat ze zijn: dood, hun verhaal is geschreven. Je kan nog lang genoeg in hun gezelschap verkeren maar zolang je hart klopt heb je er niks te zoeken.’ Dan lachte ze naar me en gaf me een knuffel: ‘Ouwe zwartgal, je bent echt een kind van je vader.’
Is ook zo, mijn vader is net als ik, we richten ons op het verleden, zoekend naar antwoorden die er niet zijn. Mijn vader heeft alles over de tweede wereldoorlog uitgeplozen, hij vrat zich door boek na boek, steeds op zoek naar het waarom van de loop der dingen. Mijn moeder zei dan: ‘Hou toch op man, de oorlog is voorbij, laten we gaan dansen en het leven vieren!’ Maar dat wilde mijn vader niet, of kon hij niet. Ze ging dan alleen ergens dansen: ‘Ga jij maar weer witte kruizen tellen, zwartgal…’
Ze hield van hem maar mijn moeder zat anders in elkaar, luchtiger, ze bewaarde haar doden in haar hart, was blij met wat er was geweest en ze zette nooit een voet op een begraafplaats. Mijn ouders waren tegenpolen, ze hebben elkaar versterkt maar deden elkaar ergens ook tekort. Ze stonden zo verschillend in het leven. Maar ze hebben het achtenveertig jaar volgehouden, goed genoeg zou ik denken. Ik hield ervan om met mijn moeder te praten, ze was er altijd voor me. Ze had haar eigen kijk op de loop der dingen, maar met mededogen voor wie jij was.
Toen ik een paar jaar geleden ging scheiden was ik kapot. Mijn vrouw verliet me voor een ander, kinderen mee natuurlijk, huis verkocht, het bekende verhaal… Ik zei tegen mijn moeder: ‘Ze heeft me alles afgenomen, mijn toekomst, mijn mannelijkheid, mijn trots… En mijn hart is gebroken.’
Mijn moeder zei: ‘Da’s niet je hart lieverd, da’s je ego en dat mag geen speler zijn in een verhaal, welk verhaal dan ook. Je hebt geen récht op een fijn leven, geluk krijg je toegeworpen en het duurt zolang het duurt. Wees nederig en maak jezelf klein, dan vang je minder wind.’ Ik eerst kwaad natuurlijk, ze had helemaal geen respect voor mijn woede en verdriet leek het. Eigenlijk ben ik pas na haar dood gaan begrijpen wat ze bedoelde. Want zeg nou zelf, hoe belangrijk ben je nu helemaal? Ik vecht niet meer tegen windmolens, heb dankbaar leren zijn.
Ik blijf natuurlijk ook dat kind van mijn vader. Dus ik blijf hier komen, want ik kom tot rust tussen al die geschreven verhalen om me heen. Maar als ik dan bij mijn moeders steen sta hoor ik haar zeggen: ‘Ga toch weg zwartgal, koop bloemen voor een levende vrouw, niet voor mij, ga dansen en het leven vieren.’
Dan hoor ik haar lach en misschien gek, maar dat doet me goed.

1 reactie op “De man op de begraafplaats”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top