Samen met mijn vriendin loop ik richting centrum. Ze is een beetje mijn tegenpool, zowel innerlijk als uiterlijk. We zijn alleen even lang maar dat is het. Ze doet aan spiritualiteit, gelooft in reïncarnatie, zielsgesprekken en emotieregulering. Vroeger plakte ze veertjes op haar agenda, om de zachtheid in haar bestaan vorm te geven of zoiets. Ik vond daar altijd iets van…Toen, tegenwoordig denk ik: plak maar raak, het schaadt niemand. Wijsheid komt met de jaren, soms dan.
We steken over op het zebrapad als het poppetje groen is, helemaal volgens de richtlijn. Terwijl we lopen giert er opeens een auto de hoek om en raast voorbij op drie centimeter afstand van onze tenen.
We schrikken. Mijn vriendin bevriest, maar als ík schrik valt de connectie met mijn geciviliseerde ik weg. Dus binnen één nanoseconde schiet mijn rechtermiddelvinger omhoog en niet alleen de vinger maar mijn hele arm gaat de lucht in. ‘Tyfuslul’, roep ik er bij.
Normaal gesproken levert dat hooguit een, vanuit het open raam, met links opgestoken middelvinger op, maar vandaag niet. De auto remt abrupt, rijdt achteruit en stopt vlak voor ons.
‘Snel doorlopen’, sist mijn vriendin, maar ik besluit eens lekker te aarden midden op het zebrapad. Waarom moet ik opzij voor zo’n gek?
‘Geef je me nou gewoon een vinger?’, zegt de tyfuslul, die ondertussen is uitgestapt. ‘Je moet uitkijken jij, anders zal ik je ff wat respect bijbrengen.’
‘Ja joh?, hier heb je hem nog een keer.’ En hop, weer mijn hele arm de lucht in met die vinger. Sinds ik vier keer per week kickboks lijd ik aan zelfoverschatting, of het zijn hormonen, of een combinatie van beide. Doet er niet toe. Ik kijk hem afwachtend aan. Wie ben jij nou helemaal, denk ik, een pakkumbeet vijfendertigjarige best grote man met armen als van een stukadoor.
‘Als jij nog één keer je vinger naar me opsteekt sla ik je op je bek, begrijp je dat trut…’ Hij draait zich om en loopt terug naar zijn auto.
Ik groei tot ongeveer drie meter boven het zebrapad en met een superieure grijns draai ik me naar mijn vriendin en zeg: ‘Zaggie dat? Bang zeker…’
Mijn vriendin kijkt me aan of ik een insect ben. ‘Wat bezielt jou? Die gozer had je in één klap over het zebrapad uit kunnen smeren.’ Maar ik loop als een matador onoverwinnelijk naar de stoep, ‘Hij ging gewoon weg’, straal ik weer zo voldaan.
‘Dacht je soms dat het door jou kwam? Kijk ff over je schouder voor het geval je overweegt er een gewoonte van te maken.’ Ik doe het en zie de buurman van een paar huizen verder, een Surinaamse versie van Goliath, aan de andere kant van het zebrapad staan met zijn armen over elkaar.
‘Dat je geen klap hebt gehad is zíjn verdienste, niet de jóuwe, want hij heeft non-verbaal aan die gozer duidelijk gemaakt dat hij op moest zouten. Op afstand, zo’n man kan dat… Jij niet, jij bent een panlat van over de vijftig!’ Een lichte twijfel entert mijn hoofd. De buurman is ondertussen overgestoken. ‘Doe jij voortaan normaal’, zegt hij tegen me, met van die donkere ogen, waar ik onzeker van word.
Ik voel twee staartjes met roze strikjes erin aan de zijkanten van mijn hoofd groeien. ‘Nou?’, vraagt hij. ‘Ja’, mompel ik tegen de stoeptegels. ‘Mooi‘, en hij loopt door. Mijn zelfvertrouwen is samen met mijn ego volledig verdampt. Daar gaat mijn gloriemoment, misschien kan ik beter op dansen gaan of meditatief kleien, beter voor mijn emotieregulering.

Tekst: Marga de Waard
Foto: Frank Bison